Over slotenmaker Liedekerke

Drie huizen bovendien oostwaarts woonde Cornelis Florsiz., vleeshouwer betreffende beroep. Tegelijk was hij ‘speelman’, ons vak het op bruiloften en verschillende feesten werd uitgeoefend, waar deze lustige paren op een tonen van bestaan instrument, waarschijnlijk ons fluit, tot zijn ‘pijpe’ liet dansen.

Daar waar een brouwerij ‘een Roskam’ bezit gestaan? Daaromtrent geeft een Beschrijvijving der Stadt Delft via Reynier Boitet uit 1729 vol­doende zekerheid. Daarin toch komt een lijst voor met brouwerijen en wij vinden daarbij de brouwerij ‘De Roscam, staande op het Achterom’. Voorts, in met­merking nemende het deze in 1640 reeds uitgebroken was, doch het een overige, in vroegere tijden ‘Een Slange’ ge­naamd en gelegen op dit Oude Delft tegenover de Haverbrug of de gewezen Koornbeurs, haar benaming ver­anderde en die betreffende „Een Roskam’ aannam, meent hij dat we de plaats, daar waar Jan Steen tijdens een lange cyclus betreffende jaren woonde en werkte, niet ver meer behoeven te uitkijken.

Een meeste dier ondernemers worden nu nog uitgeoefend, maar ettelijke zijn mettertijd, tegelijk met het verlies der takken betreffende nijverheid, die hunne hulp behoefden, allengs verdwenen en teniet gegaan.

Kuiper Jan Maertensz had met die kant van een gracht ‘Int Houten Hooft’ bestaan werkplaats. Behalve hem woonden er alsnog drie vakgenoten bij hem in de omgeving, daar waar, zoowel indien elders in de stad, ons wet ofwel keur op een ongemak toentertijd ons menigvuldig burenverhoor zou beschikken over veroorzaakt.

. Op pagina 347 en volgende aangaande zijn boek geeft Bleyswijck allerhande bijzonderheden over de veranderde bestemming van de verscheidene monniken- en nonnenkloosters na een Reformatie. Daar lezen we tussen overige dat een lokaliteiten betreffende het voormalige klooster later door de Staten met Holland en Westfriesland deels tot ons salpetermagazijn en deels tot berging met ‘verschillende toerustingh ten Oorlogh’ werden bestemd.

Of deze bestaan vermogen in een Vleeshal ofwel in een dienst over Apollo en Momus bezit verworven, er geeft het register betreffende het haardstedengeld nauwelijks antwoord op.

In dit zesde huis, vanaf het Weeshuis gerekend, woonde toentertijd een grootvader over een Delftse stedebeschrijver, die, een momentje als die Dirck Evertsz met Bleyswijck heette, en in 1618 betreffende enige zijner collega's Veertigraden door Z. E. Prins Maurits van bestaan ambt werden ontsla­gen. In 1625 werden deze desalniettemin wederom in het ambt hersteld.

En wij roepen u dan ook indien Gemeentebestuur betreffende Den Helder op teneinde een eindpunt te produceren met deze beschamende toestand en dit Rob Scholte Museum toch nog perfect te steunen en een op 9 december vastgelegde afspraken, buiten nieuwe voorwaarden, na te komen.

Zij schijnt, wat men nu noemt ons ‘specialiste’ in die voorbereidende kunstbewerking te zijn geweest, waarvan een lenigheid aangaande het linnen­fabrikaat zeer afhankelijk was; immers komt in dit ganse register geen tweede garenziedster vanwege, die door de naam van dat werkzaamheid over overige vrouwen wordt onderscheiden.  

Uitgezonderd een webwinkel over Cornelis Jansz Vennecool, welke ‘boucbinder’ is genoemd, trekt in die straat niks bijzonders verdere onze toewijding, noch wat de bewoners, noch wat een gevelstenen ofwel de uithangtekens betreft.

Daarenboven kwam nog de vermindering aangaande de brouwnering, welke in overeenstemming met een auteur sedert dit jaar 1600 op grote schaal kan zijn gestart, blijkens een lijst welke hij opsomt in zijn zeker werk, waaraan wij menige bijzonderheid te danken beschikken over, die het anders niet ter kennis zou bestaan gekomen.

Hetgeen deze op deze plaats ter stede deed - misschien was hij tafel- ofwel lombardhouder - weet ik niet te zeg­gen. In 1554 had Percheval Fasiotis ‘coopman betreffende Piemont’ octrooi met de keizerlijke majesteit gevraagd teneinde hier ter stede ‘tafel’ te mogen behouden. Tot profijt betreffende een armen zou deze jaarlijks in handen van de H.Geestmeesters 5 pond grooten Vlaams betalen.

Zij zette zeker een zaak voort, waaruit mijns inziens kan worden opgemerkt het Schol geen ‘konstschilder’, doch ons ‘huisschilder’ of ‘verver’ was. Bestaan afaire kon door zijn nagelaten dame betreffende vreemde hulp geraken aangehouden, wat via een weduwe over ons collega met Jan Steen ofwel over Mierevelt bezwaarlijk kon geschieden.

Bovendien een gracht opwandelende, met dit register ingeval trouwe gids, bespeuren we, dat er verder een meester schilder woonde in een der aanzienlijkste huizen over die buurt, dat in overeenstemming met bestaan eigenaar vier haardsteden bevatte. Zijn naam was Michiel Jansz en de deftige burger, die te midden met werklieden en winkeliers die huizinge bezat, was niemand anders vervolgens een vermaarde ‘contrefeyter’ Mierevelt, iemand die dit portretteren bekijk hier van heel wat ‘groote Heeren ende Vorsten’ geen windeieren legde.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *